artikel

‘Noodverlichting moet een specialiteit worden’

verlichting

Op noodverlichting zijn verschillende normen en wetten van toepassing. Met Erik van Aalst, zelfstandig adviseur, gaan we in op de verantwoordelijkheden van installateurs bij noodverlichting. Want, zo zegt Van Aalst, er is werk aan de winkel.

‘Noodverlichting moet een specialiteit worden’

Door Betty Rombout

Met zijn Praktijkbureau Veiligheid ondersteunt Erik van Aalst bedrijven en instellingen op het gebied van bedrijfsveiligheid. Dit door praktische informatie te geven. Van Aalst las op Installatie Journaal een artikel over noodverlichting. Hierin werd onder meer gezegd dat de NEN-EN 1838 (toegepaste verlichtingstechniek – noodverlichting) een samenstelsel is van het meest recente Bouwbesluit en de Arbowet. Van Aalst nuanceert dit.

NEN, Bouwbesluit en Arbowet

“Het Bouwbesluit stelt minimale eisen voor het veilig verlaten van een gebouw”, vertelt Van Aalst. “Bij een grote groep mensen is noodverlichting verplicht. Zowel in een ruimte als op de vluchtroute. De Arbowet stelt, dat de werkgever verantwoordelijk is voor de veiligheid van zijn personeel. Hierbij gaat het niet alleen over het veilig verlaten van een gebouw bij spanningsuitval, maar ook over bijvoorbeeld veiligheid op de werkplek. De NEN-EN 1838 is een geharmoniseerde norm en vermeldt (licht) technische eisen en toepassingscriteria. Ook worden projecteringsadviezen gegeven; waar noodverlichting te plaatsen in geval van vluchten? De norm is opgesteld door onder andere fabrikanten van noodverlichting met als doel armaturen te produceren voor gebruik in Europa.”

Een norm is geen wet

Van Aalst benadrukt dat een norm geen wet is, maar een (technische) afspraak. Verwijst een wet – in dit geval het Bouwbesluit – naar een norm, dan ben je verplicht de norm (het betreffende deel) toe te passen of met een aantoonbare gelijkwaardige oplossing te komen. “In de Regeling Bouwbesluit staat welke versie van een norm wordt bedoeld. Het Bouwbesluit zelf bevat de artikelnummers van de norm.” In het geval van de NEN-EN 1838 wordt  in het Bouwbesluit verwezen naar de artikelen 5.2 tot en met 5.6 voor wat betreft de zichtbaarheidseisen van de vluchtrouteaanduiding.

De installateur – specialiteit

Van Aalst gaat dieper in op de rol van de installateur en de gebouweigenaar bij noodverlichting. “Er zijn nog te veel mensen die een noodverlichtingsinstallatie zien als een paar lampjes extra en niet als een veiligheidsinstallatie die ontworpen en aangepast moet worden op basis van een vluchtplan en het gebruik van een pand.”

Volgens van Aalst lijkt het allemaal simpel: ”Als de aanduiding het niet goed doet, dan draaien we er gewoon een nieuwe TL in. Probleem opgelost. Komt er helemaal geen licht meer uit, dan bestellen we een nieuwe armatuur via internet. Het liefst niet al te duur.” Volgens hem hebben zowel installateurs als gebouweigenaren geen idee van verlichtingssterkte of lichtspreiding. “Om maar niet te spreken over accu’s, rendement, elektronica, levensduur en aansluitingen op printplaten.”

Kennis ontbreekt

Volgens Van Aalst is in 7 van de 10 gevallen een noodverlichtingsinstallatie voor verbetering vatbaar. “Dat is, wat ik in de praktijk meemaak.” Hij ziet bij een klant al snel of de noodverlichtingsinstallatie wordt onderhouden en aangepast. “Is dit niet het geval en vraag ik het na bij de klant, dan krijg ik soms als antwoord: ‘Jawel hoor, door een erkend installateur!’ Ook het antwoord: ‘Wij hebben een eigen technische dienst’ komt voor. Sommige klanten gaat er dus vanuit dat specifieke kennis bij deze partijen aanwezig is.  Maar de praktijk is vaak anders.”

Gecertificeerde noodverlichtingsdeskundige

Noodverlichtingsinstallaties moeten onderhouden worden door een gecertificeerde noodverlichtingsdeskundige, benadrukt van Aalst. Deze noodverlichtingsdeskundige moet kennis hebben van gecompliceerde zaken en werkzaam zijn bij een installateur of als zelfstandige. Volgens hem zouden noodverlichtingsinstallaties een specialiteit van een elektrotechnisch installateur moeten worden. “Net zoals zonnepanelen.”

Gewone installateur niet goed genoeg

Dus een ‘gewone installateur’ is niet goed genoeg? Van Aalst: “Inderdaad. Ook al zijn er natuurlijk altijd wel installateurs die hun kennisniveau goed op orde hebben. Dat er een cursus ‘Noodverlichtingsdeskundige’ ontwikkeld is, geeft het belang ervan aan.”

De gebouweigenaar/bedrijf – keuzes

Erik van Aalst: “Van installatiebedrijven wordt verwacht, dat zij een veilige elektrotechnische installatie leveren. Installaties die worden toegekend op basis van een offerte, gemaakt aan de hand van tekeningen. Het corrigeren van eventuele fouten op deze tekeningen, betekent een hogere prijs – dit is meerwerk – en dus mogelijk het missen van de opdracht. Dus moet een installateur die wijzigingen dan wel aanbrengen? Keuzes worden soms niet gemaakt op basis van noodzaak, maar op budget. Deze werkwijze zal mijns inziens niet veranderen zonder externe controle.”

Minimaal het Bouwbesluit

Een gebouw dient aan de regelgeving te voldoen, minimaal aan het Bouwbesluit. Afhankelijk van het gebouw en het gebruik is vergunning voor brandveilig gebruik of een gebruiksmelding verplicht. Controle door de gemeente is niet altijd noodzakelijk of mogelijk.

Van Aalst: “Bovendien, het is bijna onmogelijk, dat een controleur een specialist is op elk detail uit de wet- en regelgeving. Dit ‘probleem’ is nu in de wet opgevangen door de eigenaar/gebruiker een zorgplicht toe te bedelen en hiervoor verantwoordelijk te stellen. Helaas werkt dit laatste in de praktijk niet. Een controle dient volgens mij te blijven, maar mogelijk wel anders uitgevoerd te worden.”

Oplossing?

Noodverlichtingsinstallaties, er is nog veel werk aan de winkel. Hoe zouden we het met z’n allen beter voor elkaar kunnen krijgen? Van Aalst: “Mijns inziens is het niet de oplossing om als overheid meer mensen in dienst te nemen en vaker te controleren. Dat werkt zoals eerder gezegd dus niet. We moeten juist meer aan de markt overlaten. Maar wel met een goede en simpele controle. Een brandmeldinstallatie moet ook vakkundig aangelegd en onderhouden worden. Alles met betrekking tot die installatie leggen we vast, vaak in een logboek. Dat kan voor noodverlichting ook. Een controlerende instelling zou alleen het logboek hoeven te controleren. De installateur neemt zijn verantwoording en zet zijn handtekening onder inspectie- en onderhoudsformulieren.”

Eisen vastleggen

“Maar,” vervolgt Erik van Aalst “er is een probleem. Controle door een instantie is niet mogelijk zolang noodverlichting in verschillende wet- en regelgeving wordt genoemd. De eerste stap is het vastleggen van de doelstelling en de eisen. Duidelijk en universeel toepasbaar. Vervolgens is aanpassing van de regelgeving met betrekking tot het vergunningenstelsel aan de orde. Nu moet een architect aangeven, waar noodverlichting dient te komen. Helaas leidt dit systeem steeds meer een eigen leven. In de praktijk wordt niet meer gecorrigeerd. Met als resultaat een installatie conform tekening, maar tegenstrijdig aan de doelstellingen van de wet- en regelgeving.”

 

 

 

Reageer op dit artikel